Sikke Romkes: ‘De buitenlanders uit Roodhuis’

19 november 2021 20:00


Naar aanleiding van het overlijden van Sikke Romkes publiceren we het gesprek dat Peter van der Meeren had met Sikke en Hissy Romkes, ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van Wit Zwart Sneek. Het verhaal is opgetekend in het jubileumboek, waarvan onderstaande tekst een integrale weergave is.

Remi heet het jongste poedeltje van Sikke en Hissy Romkes. Een zwart keffertje. De onafscheidelijke witte poedels van Sikke en Hissy hebben het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Eén daarvan heette ook Remi. „Die naam lang ons voor op de tong, dus hebben we hem maar weer gebruikt”, zegt Sikke. Niet moeilijk doen als het makkelijk kan.

Ze wonen alweer 25 jaar in Sneek. Net zo lang als ze getrouwd zijn. Op 15 april 1982 gaven ze elkaar het ja-woord.  „Mooi feest gehad, in De Kajuit", zegt Sikke. „Leuk ding en betaalbaar he", zegt Hissy, afkomstig van De Kliuw. „De tiende van elf kinderen."

De keus voor Sneek was eenvoudig voor het in dorpen opgegroeide tweetal. „Hissy wilde graag in een stad wonen, ze mag graag sneupen", aldus Sikke. Hij zegt door Wit Zwart een Sneker to zijn geworden. Worp Tjaardastraat 232, daar hoeven ze nooit meer weg. Trots laten ze de verbouwde keuken zien. Een zwart, uitgemergeld ogend beest op vier poten laat zich aaien. Een kat. Mager inderdaad, maar hartstikke gezond, weet Hissy. „Is al achttien Oar!" Sikke: „Boerenkatten kunnen wel 25 worden. Muizen eten is gezond. Voor een kat."

Hij kan het weten, als zoon van een boerenarbeider. Sikke is het tweede kind. „En de laatste, ik heb de deur dichtgeklapt." Brede lach. Marieke, van 1934, is zijn oudere zus. Zij is non geworden, woonde vijftig jaar in een klooster. „Op IJsland. Mooi daar. In 2006 zijn we er heen geweest om het gouden jubileum te vieren." Heit en mem Romkes waren zwaar katholiek. „Elke dag naar de mis. lk ook, 's ochtends voor school." Na de kerk als een speer naar huis om nog wat te eten. „Dat mocht pas na de communie." Op dagen met een begrafenis viel dat voor pa als boerenknecht niet mee. „Dan zat-ie 's ochtends om half zes al onder de koe en begon de mis pas om elf uur. Keihard werken met een lege maag. Maar nooit klagen. Als het even kon, zat-ie wel drie keer per dag in de kerk."

Vanwege het geloof werd Burgwerd verruild voor Roodhuis. De kinderen moesten naar een katholieke school. „Die hadden ze niet in Burgwerd. Als dat wel zo was geweest, was ik nu misschien wel een RES-man geweest, in Bolsward." Roodhuis, Sanleansterdyk. „Nummer elf", weet Hissy. „Ridsert Altenburg woont er nu. Ook een Wit-zwarter." Sikke was vijf toen er verhuisd werd. De school was vernoemd naar Bonifatius. „Kleine Gerard Poiesz is er nou de directeur." Jazeker, ook eentje met een wit-zwart hart. Vijf, zes, zeven jaar, Sikke leerde voetballen. „Op straat en in het weiland. Dwars door de greppels, daar kreeg je sterke enkels van. Werkelijk: ik heb later nooit een enkelblessure gehad." En de bal zeker gemaakt van een varkensblaas? Sikke: „Ja, dat zweer ik je! En als ik nieuwe klompen kreeg, sloeg pa er meteen krammen in, anders vlogen de 'deksels' er of bij het voetballen."

Bij Seakle Altenburg, helemaal achter in het land, zat een onderduiker. Harm Stockmann, weet Sikke. „Zat in het bestuur van Wit Zwart. Hij haalde jongens over om bij de club te komen. Maar Homme Bosma deed dat ook, op de Ambachtsschool. Daar zaten de Bootsma's op, Tjitte en Bauke." Sikke weet dat via Stockmann Joop en Tjip Altenburg de eerste Roodhuisters bij Wit Zwart waren. Tjip Altenburg, de vader van Jan, Auke en Jacob, ook goed voor honderden wedstrijden in dienst van WZS.  „Op de fiets naar Sneek, binnendoor via Tims. Kilometer of zeven, stelde weinig voor. Later ging het nog makkelijker, via de Ivige Leane." Sikke werd pas op zijn zeventiende Wit-zwarter.  „Ik vond volleybal ook mooi." Lachend: „Vijfentwintig jaar in het eerste van VoVeRo gespeeld." Maar je hoefde geen lid van een club te zijn om als Roodhuister volop te kunnen voetballen. „Er was een dorpencompetitie, dat ging er fel aan toe. We speelden tegen Oosterwierum, Wytgaard, Menaldum zelfs. We hadden een mooi elftal. Yme Poelsma was keeper." Poelsma? „Ja", zegt Sikke, „de vader van Frans en Piet, ook Wit-zwarters. Frans, die kon voetballen! Yme is helaas erg vroeg overleden."

In 1952 werd Sikke Romkes officieel lid van WZS. „Ik besloot om toch maar  eens mee te gaan met Tjip Altenburg." Meteen kreeg hij een kaartje, 'ter goedkeuring'. „Van niemand minder dan Ids Silvius zelf. Hij benoemde me tot rechtsbinnen." Weer die lach. „Ik wist niet eens wat buitenspel was." Sikke kwam in het vierde. Geen valse bescheidenheid. „Ik was een snelle spits. Een keer wonnen we met 3-2 van het eerste van Blauwhuis, ik maakte ze alle drie. Maar ik was ook wel wat egoïstisch. Rein van der Werf stond op de buiten, die kreeg van mij geen bal. D-d-d-dou m-must  een k-k-keartsje o-o-ver-sp-speule, zei hij een keer. Rein stotterde. Ik tref hem nu nog wel, zwager van Rients Bosma. Aardige kerel."

Voetballen bij WZS beviel prima, maar de van scholier tot boerenarbeider geworden Sikke had het op zondagen niet eenvoudig. „We moesten een mis zien mee te pakken en ik moest een paar keer per dag melken. Pa werkte bij dezelfde boer, die nam op zondag weleens een melkbeurt over. Maar omdat we als katholieke club pas na twaalf uur begonnen, kon ik nooit nazitten. 's Ochtends gingen we wel naar het Bonifatiushuis voor de mis, daar hielden ze de gang er wel in. En als ik op zondagavond nog naar de kerk moest, liepen we na de communie meteen door naar buiten, want dan waren we aan de andere kant van de Singel bij kapper Hamersma precies op tijd voor Sport in Beeld."

Mooie tijden. „Eén keer heb ik gescoord tegen de oudjes van Sneek. Ik stond wel vijf meter buitenspel, maar er werd niet gefloten. De scheidsrechter zag namelijk geen vlag, want hun grensrechter stond in de bosjes te pissen!" Na de training regelmatig met Johan Pelsma mee naar het Kleinzand. „Nog even een bakje koffie voor we verder fietsten. Kwam ouwe Sjoerd binnen en die begon meteen uitsmijters te bakken. Een echte eierboer he! We hadden het eten nog niet op of we moesten schutjassen. Bote Altenburg en ik waren 's nachts half drie thuis en twee uur later ging de wekker weer."

Het eerste elftal bleek te hoog gegrepen voor Sikke. Toch haalde hij eenmaal de kolommen van her Noordelijke Sportblad. „De poot kapot." De snelle spits van het vierde ging in de wedstrijd tegen De Kooi uit Joure door op een lange pass van Albert Meijer. „Ik was net eerder dan de keeper, maar die raakte niet de bal, maar mij wel. Vol. Gebroken scheenbeen en enkel. Het was best een zware blessure. Toen de chirurg het bot weer op elkaar schoof, kwam er een pees tussen, waardoor dat  been nu een stukje korter is dan het andere been. Ik heb een jaar niet kunnen werken. Toen ik weer voor de eerste keer onder de koe kroop, kwam de boerendochter naar de stal om mij op de foto te zetten. Bang om  weer  te  voetballen? Nee. De chirurg adviseerde me om zo snel mogelijk weer te beginnen en Ids Silvius liet me direct weer opdraven. Ik zou als wissel beginnen, maar er kwam er eentje niet opdagen. Ik er in. Ik heb mijn directe tegenstander gevraagd om rustig aan te doen en dat heeft-ie gedaan. Een week later scoorde ik weer. Eerlijk is eerlijk: ik kreeg de bal verkeerd op de schoen. lk heb mazzel gehad: dezelfde dag brak ook een speler van MKV zijn been en dat hebben ze moeten amputeren. Die kreeg een houten poot."

Sikke haalde op z'n 24ste het rijbewijs. Een mededeling van belang, want vanaf dat moment kon hij zijn auto volladen met Roodhuister jongens die hij lid had gemaakt van WZS. „Ik was zo'n beetje de grote ronselaar, SDS in Oosterend was stinkend jaloers weet ik nog wel. In Sneek werden we De Buitenlanders genoemd. Ik zal je vertellen dat er een paar goeie `gokkers' tussen zaten! Henkie de Boer, die kon voetballen. Hij passeerde ooit eens zeven man alsof het etalagepoppen waren. De achtste gaf hem een enorme rotschop, Henkie draaide zich om en gaf d ie jongen toch een gier! 'Hat niet mutten', zei hij naderhand. Goeie jongen."

Er gingen heel wat makke schapen in een Kever. Sikke Romkes reed altijd in een Kever. Soms twee jongens voorin en vier jongens op de achterbank. Bij de voorruit een geel sponsje, om het beslagen raam schoon te vegen. „Maar kleine Jan Jacob (Altenburg) ging altijd op 't fietske, dan hoefde hij na de training niet nog eens een uur te wachten. Maar hij sloeg nooit over he, een gouden instelling." Sikke moest de route soms zorgvuldig plannen. „Want ze kwamen niet alleen uit Roodhuis. Jopie van der Weil woonde op de Huniadijk bij De Kliuw en Broer Andringa pikten we op van de Ivige Leane. Het ging soms  'mal', maakten we een dikke slip door de koeienstront op de weg. Als speler ben ik door een ongeluk een keer te laat gekomen. Een aanrijding, nota bene in Roodhuis. 't Was wat mistig en ik was er al op verdacht dat de Kever van Rein de Boer nog moest komen. Die kwam vaak te laat bij de kerk, dus hadie de sokken er aardig in. lk zie 'm komen, ik wijk uit, maar op dat moment wijkt hij ook uit, naar dezelfde kant! Wat bleek nou? Zijn zoon Ate reed en die kwam net uit Zambia, waar-ie gewend was om rechts in te halen! Total loss, het glas van de voorruit zat achter m'n oren."

Van de ene op andere dag was Sikke leider-trainer bij WZS. „Do rugelst der yn", zegt hij. „Ik was al trainer van de schooljeugd, we deden mee aan het Hennaarderadeel-toernooi. Jaren getraind, een keer gewonnen. Een tactische zege, ik had een plannetje waardoor de beste man van de tegenstander niet uit de veil kwam. Broer Andringa maakte twee goals. We speelden in shirts van Wit Zwart. lk was naar Gerard Witteveen toegegaan voor de reserveshirts, maar hij vond het wel een aardige reclame om in de echte clubshirts te spelen."

Gerard Witteveen. Geboren 4 september 1939, overleden 14 juni 1969. „Veel te jong natuurlijk", zegt Sikke.  „Hij heeft ongelooflijk veel voor Wit Zwart betekend. Gerard had geen goede gezondheid, maar wilde alles wel voor de jeugd doen. Onvermoeibaar. Hij was leider van 1B, ik ging wel met hem mee. Ik weet nog goed dat Gerard door ziekte weer niet mee kon en ik alleen moest. Uit tegen Bolswardia, bomen van kerels. Ik denk: dit wordt een hele put, maar we wonnen. Met 16-0. Geweldig elftal met mannen als Nico Altenburg en Freddy en Peter Zijlstra. Toen Gerard overleed en ik die knapen zag huilen op de begrafenis, besefte ik dat ik zijn werk moest overnemen."

Sikke werd niet alleen leider, maar ook trainer. Gediplomeerd trainer. „Zaterdags op FVB-cursus, van een echte prof, Teunissen van Heerenveen. Ik heb er mijn ziel en zaligheid ingelegd. Dan kwam ik thuis, liep ik meteen naar boven om me om te kleden en pakte ik op weg naar de auto in de gang de boterhammen uit de hand van mem." Hij was toen al omgeschoold tot timmerman,   „een veel beter en geregelder leven. Ik kon zaterdags leider zijn en volleyballen en zondag lekker zelf nog voetballen. Tot m'n veertigste gedaan. Man, als ik zondags had gespeeld, kon ik woensdag pas weer zonder spierpijn de ladder op."

Van het een kwam het ander. Leider, trainer, grensrechter.  „Bij 1A en later bij het eerste." Sikke mocht een eerlijke vlagger worden genoemd. Brede lach. „Vaak wel! Even slim wezen: in her begin een ingooitje weggeven om later een buitenspelletje terug te pakken." Hissy: „Vertel 't nou maar!" Sikke: „Kampioenswedstrijd op Ameland, tegen Geel Wit. We moesten winnen. Het staat 1-2, maken die lui gelijk. Ik vlag omhoog. 'Het was geen buitenspel', zei de scheidsrechter. lk zeg: daar heeft u gelijk in, maar de bal is achter geweest. Doelpunt afgekeurd, wij kampioen. Lui woest, we zijn meteen naar de boot gegaan."

Her liep niet altijd op rolletjes. „Het zat me wel 's tot hier." Sikke wijst naar zijn keel. „Een keer moest ik zelfs de jaarvergadering overslaan omdat ik het te druk had om vervoer te regelen voor een toernooi op Terschelling. Ik had zo de pest in dat ik niet eens voor de vergadering had afgezegd. Kreeg ik later van Andries de Boer te horen dat ik tot Lid van verdienste was benoemd. Voorzitter Brinkman heeft me later het speldje gegeven."

Hoeveel jonge Wit-zwarters heeft Sikke Romkes wel niet begeleid? „En de meesten groeten me nog altijd", zegt hij. Trots. „Soms moet ik even denken wie het ook al weer is, maar de meesten ken ik nog wel. Nee, nooit last van een generatiekloof gehad. Ik heb weinig last gehad met de jeugd, ik deed gewoon altijd alsof ik zelf ook nog een jongen was. Met 1A zijn we eens voor een wedstrijd naar Duitsland geweest. Kwamen we daar, bleek de contactpersoon net afgezet te zijn en bleek er niks geregeld. 's Avonds zijn we de stad ingegaan, ze beloofden allemaal om half twee `thuis' te zijn. Lauwe loene: om half zes 's ochtends kwamen de laatste twee binnen. De volgende ochtend hebben we er eentje zo het busje ingegooid; pas bij Assen werd hij weer wakker..."

„Ach, mut kanne. Nooit heb ik met de vuist op tafel geslagen. ledereen heeft zijn wilde jaren gehad, ik ook. Er stond er heus weleens eentje met een `dikke kegel' op het veld, maar over het algemeen heb ik geen klagen gehad. Ik was misschien best makkelijk, maar ik wilde wel altijd winnen. Als het even kon, speelde ik het liefst met de sterkste opstelling. Als we dik voor stonden, konden de wissels er wel in. Ik ben later nog weleens gevraagd voor de F-jes, maar dat heb ik niet gedaan. Daar ben ik denk ik te hard voor."

Sikke zag veel van 'zijn' jongens het eerste elftal halen. „Maar lang niet allemaal, er gingen ook veel studeren." Nog altijd staat hij zondagmiddag aan de lijn. „'t Is soms huilen met de pet op, maar ja, het is je club." De werkzaamheden zijn langzamerhand afgebouwd. Sikke zingt nu in het koor van het Bonifatiushuis, Hissy ook trouwens. „Verder mag ik graag fietsen en wat prutsen in de tuin. 0 ja, en ik ben jurylid. Bij de optocht in Roodhuis."

Foto: In 2002 speelden twee oud-kampioensteams van Wit Zwart Sneek tegen elkaar tijdens de viering van het 70-jarig bestaan. Sikke Romkes (links) en Anne de Vries mochten de aftrap verrichten.

Zie ook:

Delen

Lees meer over:
Sikke Romkes Wit Zwart Sneek

voeg je eigen gadgets toe aan deze pagina!